Over aardbevingen
Aardbevingen worden veroorzaakt door plotselinge verschuiving op breuken waar blokken van de aardkorst langs elkaar bewegen. Het hypocentrum (of focus) is het punt onder het oppervlak waar de breuk begint; het epicentrum is het punt er direct boven op het oppervlak. Spanning kan zich aan plaatgrenzen honderden jaren opbouwen voordat deze in één gebeurtenis vrijkomt (USGS Earthquake Hazards Program).
Magnitude meet de omvang van een aardbeving en de seismische energie die bij het hypocentrum vrijkomt. De schaal van Richter (1935) is logaritmisch: elke hele stap betekent ongeveer tien keer grotere golfamplitude en circa 31 keer meer energie. Aardbevingen worden geregistreerd door seismografen; instanties zoals de USGS gebruiken de momentmagnitudeschaal voor grote gebeurtenissen. Intensiteit beschrijft de waargenomen effecten van trillingen (op mensen, gebouwen en de grond) en varieert met de afstand tot het epicentrum (USGS; BSSA).
Voorschokken zijn kleinere aardbevingen die soms aan een hoofdschok voorafgaan; naschokken volgen op de hoofdschok en kunnen weken, maanden of jaren aanhouden afhankelijk van de grootte van de hoofdschok. De gegevens hierboven komen van het European-Mediterranean Seismological Centre (EMSC).